Een
visie op de Marsman-methode
Overzicht
van modelmatige scholen “Manuele Therapie” in Nederland
De Nederlander Van der
Bijl sr. (1909-1977) is de grondlegger geweest van het type scholen dat
nu vertegenwoordigd wordt door de “Utrechtse school”, de school voor
orthomanuele geneeskunde en de oorspronkelijke Marsman methode.
Deze scholen presenteren een afwijkend denken met betrekking tot de
aanvaarde orthopedische benadering.
De totaaltheorieën zijn zeer biomechanisch van aard en maken gebruik
van gegevens welke uit het lichamelijk onderzoek komen. Deze gegevens
classificeren de patiënt biomechanisch. De theorieën kennen een groot
aantal typeringen waarbinnen de patiënt geplaatst wordt.
Bij de behandeling wordt primair het geclassificeerde mechanische model
behandeld en niet de klacht.
In de zestiger jaren startte
Van der Bijl een school voor manuele therapie.
Deze leidt voornamelijk fysiotherapeuten op.
De opleiding, later Utrechtse school genoemd, evalueerde en bracht de
biomechanica met betrekking tot de arthro- en osteokinematica tot bloei.
Bij Van der Bijl sr. was het onderzoek van de patiënt gestoeld op de
biomechanische gedachte van massaverplaatsingen van hoofd, thorax en
bekken ten opzichte van elkaar, en op een kantelprincipe genoemd Mobile.
Het lichamelijk onderzoek werd uitgevoerd door het objectiveren van
asymmetrieën middels directe metingen en door de patiënt uitgevoerde
testen (voorkeursbewegingen). "Subjectief" actief of passief
bewegings- onderzoek en palpatie werden niet toegepast. Voor elke
typering bestond een receptuur, vastgelegd in een modellen- en
behandelboek.
De uitvoering van de receptuur bestaat tot op heden voornamelijk uit
licht- mobiliserende bewegingen op bepaalde sleutelpunten in het
bewegingsapparaat.
Sickesz (1922-) en Marsman (1918-1992) kunnen worden gezien als
leerlingen van Van der Bijl. Zij ontwikkelden een eigen theorie op basis
van door Van der Bijl verlaten theorieën. Intrinsiek zijn hierdoor
sterke verwantschappen binnen hun theorievorming blijven bestaan.
Mevrouw Sickesz, arts, noemde haar methode "ortho-manuele
geneeskunde".
Alleen artsen worden opgeleid. Zij onderzoekt - voornamelijk vanuit de
zitpositie als uitgangshouding - middels palpatie de wervelkolom op
ruimtelijke posities van wervels welke als gevolg van verhaking een
afwijkende stand hebben.
De behandeling is gericht op een zo symmetrisch mogelijke wervelkolom
binnen de mogelijkheden van het individueel gediagnosticeerde model. De
manipulaties worden ook uitgevoerd met een rubber hamer en beitel.
De
methode Marsman
De grondlegger van deze methode in de jaren '70 was de manueeltherapeut
Jaap Marsman, van oorsprong fysiotherapeut en werkzaam in de regio
Twente in Nederland.
Marsman ontwikkelde een theorie gebaseerd op enkele eenvoudige
bewegingswetten die gerelateerd werden aan de voorkeursbewegingen van
het individu. Aan de hand van voorkeursbewegingen, driedimensionaal
passief bewegingsonderzoek in verschillende uitgangshoudingen en
palpatie, werd het voorkeurspatroon van een patiënt bepaald. De
behandeling bestaat uit passieve mobilisatie van bewegingsbeperkingen,
andere dan het individuele voorkeurspatroon.
Gesteund door de Stichting Manuele Geneeskunde in Eindhoven (het latere
SOMT in Amersfoort), kreeg zijn school in de jaren tachtig veel
aanhangers door zijn praktische, directe, patiënt-gerichte benadering
en de eenvoud van de aangeboden technieken (1).
Marsman had drie medewerkers: Gelevert(1942) en Leferink(1943), ook
fysiotherapeuten, begeleidden hem vanaf het eerste uur. Rutte (1953)
werd later door Marsman in de groep opgenomen. In 1987 splitste de groep
zich nadat Marsman al een jaar niet meer in functie was. Gelevert en
Leferink continueerden de oorspronkelijke Marsmancursus in de Lutte.
Rutte startte, op basis van de Marsmantheorie, een school welke meer
gericht is op de orthopedische richting, de massamechanische en de
klinisch kinesiologische richting, maar mét het negeren van de complexe
arthrokinematica.
Ook de behandeling is afwijkend van de oorspronkelijke school en bestaat
uit alle mogelijke technieken, zowel actief (spiertechnieken) als
passief (mobilisatie als stabilisatie). Manipulatie wordt niet
afgewezen. De technieken worden afhankelijk van de orthopedische,
neurologische en de houdings- en bewegingsanalyse uitgevoerd, maar met
de mechanische achtergrond van de compressie/shift-theorie. Vanaf 1997
is deze school overgegaan in een stichting: de Marsman Stichting.
Korte algemene
samenvatting van de methode naar Marsman
De basis van de methodiek volgens Jaap
Marsman is een empirisch denkpatroon.
Deze is gebaseerd op mechanische, natuurkundige principes en wordt met
name gezien vanuit het oogpunt van de wet van de wervelbeweging. Dit
laatste nu is geëvalueerd tot een vergelijkende bewegingscombinatie op
basis van massamechanica.
D.m.v. dit denkpatroon kunnen houdingen en bewegingen worden
geanalyseerd en aan dysfuncties van het onderzochte individu worden
gerelateerd.
Aan de hand van houdings- en bewegingskenmerken wordt een typediagnose
gemaakt. Met de kennis van de typediagnose, het klachtenpatroon en de
gevonden gestoorde beweeglijkheid, kan het kinematisch inzicht worden
vergroot en eventueel een behandeling worden ingesteld.
Deze behandeling kan passieve (poly-)segmentale mobilisatie (als
onderdeel van oefentherapie) inhouden, maar ook andere vormen van
therapie kunnen worden toegepast zoals talloze oefentherapeutische
technieken, waaronder manuele therapie in het bijzonder.
De huidige theorie
uitgedragen door de Marsman Stichting
Samenvatting basis
1
Bewegen ontstaat door vervorming van massa (massamechanica). De
vervorming moet in evenwicht blijven (labiel evenwicht) door middel van
een tegenbeweging. De massa beweegt onderhevig aan de zwaartekracht,
begeleid door excentrisch werkende musculatuur, door agonistische
concentrisch werkende musculatuur of door een combinatie van beide. Het
bewegen vindt plaats door het uitwijken van de gecomprimeerde massa.
Indien men een beweging met onderzoeks- of behandel-technisch doel
uitvoert, behoort deze beweging door asymmetrische comprimering van de
massa te ontstaan. Dat wil zeggen dat de massa (elk weefsel) en dus ook
het gewrichtsoppervlak unilateraal-axiaal wordt belast. Bewegingen
vinden dan plaats op geleide van de curvatuur van de
gewrichtsoppervlakken.
2 Indien een massa in de ruimte
beweegt zal elk onderdeel van de massa een eigen plaats in de ruimte
opzoeken zodanig dat deze optimaal in evenwicht is met de totale massa.
Bij bewegen dient geen enkel onderdeel van de keten absoluut gefixeerd
te zijn. In de praktijk worden bij geleid bewegen de botstukken ten
opzichte van elkaar verplaatst met een relatieve mobiliserende hand als
"fixatie" en een mobiliserende hand als "beweger".
Naast het feit dat beide onderdelen van de massa ten opzichte van elkaar
bewegen zijn zij ook onderhevig aan de verplaatsing van de massa in de
ruimte. Die beweging kan worden gezien als resultante, shiftbeweging
genoemd.
3 Massaverplaatsingen worden gezien
als shiftverplaatsing en niet als beweging aan de uiteinden van deze
massa (de agonistische beweging). De shiftverplaatsing wordt uitgedrukt
in kwadranten, zodat de uiteinden van de massa een vaste combinatie van
ééndimensionale (agonistische) bewegingen geven. De shift is de ééndimensionale
resultante van deze bewegingen. De resultante is natuurlijk
meer-dimensionaal in de ruimte.
4 Massa die zich habitueel
asymmetrisch ten opzichte van de mediaanlijn bevindt, beweegt ook
asymmetrisch binnen de mogelijkheden van de maximale bewegingsuitslagen.
Dit asymmetrisch bewegen ten opzichte van de mediaanlijn wordt "voorkeursbewegen"
of "preferential movement" genoemd.
Aan de hand van een aantal basistesten kan men het asymmetrisch bewegen
van een individu analyseren.
Kennis van het asymmetrisch bewegen houdt inzicht in van de, in
oorsprong aanwezige, individuele houdings- en bewegingsmogelijkheden. De
testuitslagen dienen reproduceerbaar te zijn.
5 Marsman verdeelde het lichaam in
zeer originele massafunctie-eenheden, die elk op zich een
oorspronkelijke asymmetrische beweeglijkheid hebben.
Deze functie-eenheden kunnen onderling de totale lichaamsmobiliteit
versterken, nivelleren of tenietdoen.
6 De bewegingsdiagnose als conclusie
van het onderzoek wordt gebaseerd op het orthopedisch /neurologisch
lichamelijk onderzoek (status praesens), de preferential movement testen
en de anamnese. De beoordeling is gericht op klachten gerelateerd aan
locatie, globaal kwalitatieve houdings- en
bewegingsrichting. De conclusie wordt dan vereenvoudigd weergegeven in:
- Pijn en/of bewegingsbeperking in de
voorkeur
- Pijn en/of bewegingsbeperking uit de
voorkeur
- Extern trauma uit de voorkeur
- Hypermobiliteit uit de voorkeur
7 De
orthopedische/neurologische diagnose is geen indicatie tot behandeling.
De werkelijke indicatie is de - op basis van de houding en/of
bewegingsdiagnose - ketendysfunctie waarmee de
orthopedische/neurologische diagnose (problematiek) een direct
aannemelijke verbinding vormt. Op basis
van de positieve uitslag van een proefbehandeling wordt een behandeling
gegeven.
Deze behandeling bestaat uit passieve, eventueel
isometrisch-mobiliserende technieken, en een huiswerkoefening als
onderhoud van de verkregen bewegingsvrijheid.
8 In tegenstelling tot
onderzoekstechnische handgrepen worden mobiliserende handgrepen
uitgevoerd vanuit de maximaal mogelijke beweeglijkheid van een gewricht,
doorgaans de maximal loose packed position genoemd.
Bewegingen worden onder compressie van de massa vanuit een zo optimaal
mogelijke ontspannen uitgangshouding uitgevoerd.
Ademhalings- en oogbewegingen spelen een rol bij de uitvoering. De
behandelrichtingen zijn protocollair afhankelijk van de voorkeur, de
pijn en de actueel beperkte bewegingsrichting.
9 De kracht van de massamechanica
zit in het benoemen van de bewegingen in de ruimte, waardoor definiëring
van beweging als practicus gemakkelijker kan plaatsvinden. Daarnaast is
kennis van het voorkeursbewegen essentieel, om de mogelijkheden en
beperkingen van de patiënt in het dagelijks leven goed in te schatten
en te onderscheiden in werkelijke blokkeringsbeelden en habituele
beperkingen.
Tevens verschaft deze kennis een schat aan mogelijkheden voor zeer
gerichte, op het individu aan te leren oefentherapie.
Nawoord
De methode naar Marsman is een - in
Nederland ontwikkelde - open, praktisch neurofysiologisch en mechanisch
gefundeerde methode om functiestoornissen van het bewegingsapparaat te
begrijpen en zeer goed inpasbaar te maken in elke andere methode, zonder
deze concurrentie aan te doen. Tegelijkertijd geeft deze methode -
indien van toepassing - een opening tot inzicht van de behandelwijzen,
waarvan door de ontwikkelingen binnen de fysiotherapie in Nederland in
de laatste 20 jaar de manuele therapie kant de meest in het
oog-springende kant is geweest. De diagnostische benadering ervan wordt
echter ook gebruikt in de revalidatie m.b.t. toegepaste oefentherapie en
aanpassingen, en vindt ook zijn weg in de sport ter optimalisering van
de resultaten op bewegingstechnisch niveau. De laatste jaren zijn ook
verzekerings- en arbeidsgeneeskundigen in toenemende mate
geïnteresseerd geraakt in deze inzichten tot aanpassingen van de
werksituatie m.b.t. houding en beweging welke gebaseerd zijn op
individuele asymmetrie. Dit is voor hen een eyeopener.
Bij ons in de praktijk is Cees
Damiaans MTM therapeut
terug naar specialisaties
|