|
terug naar de patiënten folders >>> Tenniselleboog |
|
Tenniselleboog
|
|
|
Bij een
tenniselleboog zien we dus kleine peesbeschadigingen bij de aanhechting aan
de elleboog. Vooral bij een knijpbeweging van de hand tot vuist, het buigen
van de pols en het draaien van de onderarm geven veel pijn. Soms is de pijn
zo hevig dat het optillen van een kopje koffie of het handen schudden al tot
een hevige pijnaanval leidt. |
|
Samengevat zien we dat bij het natuurlijke herstelproces het herstel halverwege stopt en er daardoor littekenweefsel ontstaat van een slechte kwaliteit waarbij snel overbelasting ontstaat. In deze fase zal de pees dus steeds worden overbelast en beschadigd waardoor we in een vicieuze cirkel terecht komen.
|
|
Hier zien we
opnames van een pees gemaakt met een elektronenmicroscoop. Duidelijk is links
de desoriëntatie te zien, rechts zien we de situatie na 6 weken revalidatie
waarbij de vezels parallel in lengterichting zijn georiënteerd. |
|
Bij de tenniselleboog worden 4 types onderscheiden waarbij de klachten rondom
de pees-bot overgang en de klachten in de pees zelf het meest voorkomen. Deze
theoretische indeling is voor de behandeling niet van belang, belangrijk is dat
het aangedane weefsel wordt behandeld. Een juiste diagnose waar de pijnklachten
worden veroorzaakt is dan ook voor de behandeling van groot belang.
Onderzoek
|
In het
algemeen kan gezegd worden dat peesletsel veel voorkomende lastige maar geen
gevaarlijke aandoeningen zijn. Het zijn overbelastingsklachten waarbij aan de
ene kant een overbelasting de oorzaak kan zijn ( b.v. veel schroeven draaien)
met aan de ander kant een verminderde belastbaarheid van het weefsel door b.v.
oververmoeidheid of letsels aan andere gewrichten.
Peesletsels kunnen in 5 stadia onderverdeeld worden, toenemend in zwaarte zijn
dit:
|
Duidelijk is
dat overbelasting moet worden voorkomen, maar dat geldt ook voor
onderbelasting. een aantal eenvoudige aanpassingen kunnen de lokale
belastbaarheid van de pees sterk verhogen. |
Fysiotherapeutische
behandeling
De behandeling
door de fysiotherapeut bestaat uit twee uitgangspunten.
Subdoelstellingen voor de fysiotherapie:
Na het
onderzoek stelt de fysiotherapeut vast wat de correcte subdoelstelling is, deze
is natuurlijk afhankelijk van het onderzoek. Bij een beperkte mobiliteit zal de
mobilisatie een grotere rol spelen dan bij een correcte mobiliteit.
In de eerste twee weken van de behandeling zal het herstel van de lokale
weefselsamenstelling en het behoud van de functie op de voorgrond staan. In
feite wordt de ontstekingsreactie nagebootst. Dit leidt tot het schoonmaken van
het aangedane weefsel waarna bindweefselgroei en rijping kan plaats vinden. De
nadruk ligt op de massagetherapie ( fricties) en fysiotechniek ( ultrageluid).
Daarnaast wordt gestart met een licht oefenprogramma. Hoewel de behandeling van
ultrageluid omstreden is, is er wel degelijk gedocumenteerd onderzoek naar
gedaan.( Bieler e.a. 1983; Binder e.a. 1985) Er is wel onvoldoende onderzoek
gedaan naar de dosering van UG en de combinatie van UG en oefentherapie. De
eerste twee weken wordt er in principe
intensief behandeld. ( 3x per week)
Uitgangspunt van de fysiotherapeutische applicatie is een verhoging van de
weefseltemperatuur. De fysiologische effecten zijn:
In de tweede
fase van de behandeling, vanaf de derde week staat het optimaliseren van het
weefselherstel op de voorgrond, waarin bindweefsel van een goede kwaliteit
wordt gemaakt met een goede oriëntatie van de vezels ( parallel in
lengterichting) en voldoende trekvastheid van het bindweefsel.
In deze fase staat met name de oefentherapie op de voorgrond, niet alleen in de
praktijk maar ook in de thuissituatie. Uiteindelijk doel is volledige hervatting
van werk en sport.
Dosering
van de oefeningen:
De zwaarte van de oefening kan deels objectief worden aangegeven ( b.v. het
gewicht van een halter), maar belangrijker is de subjectieve component. Dit
geldt zowel voor de spierversterkende als de mobiliserende oefeningen. Daarbij
zijn een drietal grenzen te onderscheiden.:
Ditzelfde geldt voor de zwaarte van de oefenserie;
Duidelijk is
dat de oefenzwaarte oploopt van stap 1 naar stap 2, 3 etc. De oefeningen moeten
niet te zwaar zijn maar ook niet te licht, immers overbelasting moet worden
vermeden maar ook onderbelasting. Daarbij moeten we ons realiseren dat in de
eerste twee weken van de behandeling het accent ligt op het weefselherstel en
dat de ontstekingsfase wordt aangezet. De belastbaarheid is tijdelijk verlaagd.
Voorgesteld wordt om na de derde behandeling met de oefentherapie te beginnen,
tijdens de oefeningen mag in deze fase geen pijn worden opgewekt en beter is om
het aantal herhalingen op te voeren in plaats van te gaan werken met zwaardere
gewichten. een kortdurende napijn ( ongeveer 1 uur) is acceptabel. Vanaf week 4
of 5 worden de oefeningen in zwaarte opgevoerd, het accent ligt nu op de
verbetering van de mobiliteit en de spierkracht. aan het eind van de
behandelserie ligt het accent op de verbetering van de coördinatie en kan
eventueel meer sportspecifiek getraind worden.